De deelgemeente Prins Alexander ligt voor een groot deel op het grondgebied van de voormalige gemeente Kralingen. De inwoners van Kralingen woonden verspreid over het land en in de dorpen Kralings Veer en Kralingen.

 

Kralings Veer

 

Bij Kralings Veer, later Kralingseveer genoemd, kon men overvaren naar IJsselmonde. Het veer bestond al in 1333. Rondom het veer ontstond een dijkdorp met een herberg, een paardenstalling en enkele vissers. Vanaf midden 19e eeuw leefde men steeds meer van de zalmvisserij . Er ontstond een vismarkt en de uitspanning Het Zalmhuis werd in die tijd voor welgestelde Rotterdammers een geliefd uitstapje. Vanaf de jaren 1890 verminderde de zalmvangst sterk door normalisatie van de Rijn, toenemende watervervuiling en overbevissing. Uiteindelijk werd in 1932 het afslaggebouwtje gesloopt. In de jaren ’20 en ’30 werd aan het dorp een nieuw gedeelte toegevoegd ten oosten van de IJsselmondselaan. In 1941 werd Kralingseveer door Rotterdam geannexeerd, waardoor alle straatnamen in de buurt ten oosten van de IJsselmondselaan werden gewijzigd. De oorspronkelijke schrijversbuurt veranderde in een wildebeestenbuurt.

 

Het achterland van Kralingseveer werd beschermd door de rivierdijk, die in de loop der eeuwen meerdere malen werd opgehoogd. Bij de waternoodramp van 1953 hield de dijk nog maar net stand. In 1955 werden in opdracht van het Hoogheemraadschap Schieland alle huizen langs de dijk ontruimd en afgebroken ten behoeve van de bouw van een zware zeedijk. De wildebeestenbuurt mocht blijven bestaan, maar de oorspronkelijke bebouwing van Kralingseveer moest verdwijnen.

 

Kralingen

 

Het dorp Kralingen lag aan de Veenweg. Deze weg liep vanaf de huidige begraafplaats Oud Kralingen tot de noordoost hoek van de Kralingse Plas. Het dorp bestond in de 16e eeuw uit enkele huizen, een ambachtshuis of rechthuis tevens herberg, een kerk, een armenhuis en een school.

 

De inwoners van Kralingen leefden vooral van de landbouw. De drassige grond bestond vooral uit veen en leverde niet veel op. Veen in gedroogde vorm, turf genaamd, was een prima brandstof. In de 17e eeuw begon de stad Rotterdam te groeien en nam de vraag naar turf toe. Het veensteken werd een belangrijke inkomstenbron voor de Kralingers. Het aantal inwoners nam toe en het dorp groeide tussen 1632 en 1732 van 119 naar 389 huizen.

 

De Kralingers maar ook de inwoners van omliggende dorpen waren enthousiaste veenwinners. Het veen werd tot ver onder het grondwaterpeil gewonnen, waardoor in de loop der tijd grote plassen ontstonden. Het gebied tussen Rotterdam, Gouda en Zoetermeer werd een groot merengebied met smalle kaden en wegen. De winning van het veen betekende ook de ondergang van het dorp Kralingen. Het dorp kwam op een smalle strook land te liggen temidden van de veenplassen. Landbouw en turfwinning waren niet meer mogelijk. In de loop van de 18e eeuw verhuisden steeds meer Kralingers naar de omgeving van "De Viersprong", het kruispunt Oudedijk, 's Gravenweg, Korte Kade, Hoflaan. Het dorp raakte langzamerhand ontvolkt. In 1802 verhuisde de katholieke kerk naar het nieuwe centrum. Daarna volgde de school. In 1836 werd het ambachts- annex stadhuis in het daartoe verbouwde huis van de burgemeester aan de Viersprong gevestigd. Uiteindelijk werd ook de hervormde kerk in 1842 verplaatst naar de Hoflaan; de oude kerk aan de Veenweg werd twee jaar later afgebroken. Op de plek van de kerk richtte het kerkbestuur de begraafplaats Oud Kralingen in. Deze begraafplaats is thans het enige overblijfsel van het oude dorp Kralingen.

 

Eind 19e eeuw begon Rotterdam zich in economisch opzicht steeds verder te ontwikkelen. Rotterdam wilde op het grondgebied van de gemeente Kralingen woningen (laten) bouwen voor welgestelde Rotterdammers. Deze wens heeft er toe geleid, dat de gemeente Kralingen in 1895 door Rotterdam werd geannexeerd.

 

De Alexanderpolder

 

Vanaf het midden van de 18e eeuw werden de plassen ten noordoosten van Rotterdam grotendeels drooggelegd. De laatste en grootste droogmakerij was in 1874 klaar en werd vernoemd naar een zoon van koning Willem III, Prins Alexander. Na de drooglegging werden de wegen, waaronder de Veenweg, afgegraven. Alleen de 's Gravenweg, de Kralingse Kerklaan en de begraafplaats bleven bewaard. Nieuwe wegen, zoals de Ringvaartweg en de Kralingseweg werden aangelegd en er werden kavels van 40 meter breed en 800 meter lang aan de landbouw uitgegeven.

 

De Polder Prins Alexander werd in korte tijd een belangrijk tuinbouwgebied. Er ontstond een groot kassengebied en na de 2e wereldoorlog was er de grootste veiling van Nederland gevestigd.

 

Eind jaren '50 werden plannen ontwikkeld om in de polder nieuwe woonwijken te bouwen. In 1961 vaardigde Rotterdam een verbod uit op investeringen in de tuinbouw in de polder. In de jaren '60 werd vervolgens de wijk Het Lage land, destijds Alexanderstad of Alexanderpolder genoemd, gebouwd. Deze wijk werd ontworpen naar de inzichten van de stedenbouwkundige Lotte Stam. De wijk is een voorbeeld van het "functionalistische Nieuwe Bouwen".

 

In 1968 werd het spoorwegstation Rotterdam Alexander geopend, in 1982 kwam er een bovengrondse metroverbinding met het centrum van Rotterdam.

 

Eind jaren ’60 en begin jaren ’70 werd de wijk Ommoord gebouwd. Eind jaren ’70 werd een begin gemaakt met de bouw van de wijken Zevenkamp en Oosterflank. Voor Zevenkamp vond een grondruil met de gemeente Capelle aan de IJssel plaats. Het Rotterdamse gebied ’s Gravenland ten zuiden van de metrolijn tussen de stations Kralingsezoom en Capelse Brug kwam in handen van de gemeente Capelle aan den IJssel; het Capelse gebied ten oosten van Ommoord en ten noorden van de huidige Rijksweg 20 ging naar Rotterdam en werd aan deelgemeente Prins Alexander toegevoegd.

 

In de jaren '90 van de 20ste eeuw worden Alexandrium I, II en III gebouwd, een groot winkelcentrum en woonboulevard, gebouwd om het historische polderhuis uit 1932.

 

De op-een-na laatste wijk, Prinsenland, is in de periode 1984-1998 verkaveld en gebouwd. In 2000 is een begin gemaakt met de bouw van de wijk Nesselande ten oosten van de Zevenhuizerplas. Voor de bouw van deze wijk is grondgebied van de gemeenten Zevenhuizen-Moerkapelle en Nieuwerkerk aan de IJssel aan het grondgebied van Prins Alexander toegevoegd. Met de ontwikkeling van deze wijk "treedt" de deelgemeente uit de Polder Prins Alexander waar zij naar genoemd is. Een deel van Nesselande wordt namelijk in de in 1753 drooggemaakte Eendragtspolder gebouwd. De Huismanskade, die even ten noorden van de Wollefoppenweg loopt, vormt de scheidslijn tussen beide polders.

 

Het Laagste punt van Nederland

 

De plaatsbepaling van het laagste punt van Nederland is onderwerp geweest van heftige debatten, totdat het laatste woord werd gesproken door de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat. Tot 29 juni 1995 lag het laagste punt van Nederland in de Prins Alexanderpolder (in de huidige wijk Prinsenland).

 

Op dat laagste punt (namelijk 6,67 meter beneden NAP) heeft de gemeente Rotterdam langs de Prinsenlaan  een kunstwerk, “Vierkant eiland in de plas” van de kunstenaar Frans de Wit (1942-2004), aangelegd, dat is geïntegreerd in een wijkplantsoen met vijverpartij. In het midden van een betonnen constructie bevindt zich een vierkant. Dit gat symboliseert het laagste punt van Nederland: 6,67 meter beneden NAP. De constructie, van vierkant en cirkel, vormt een schaal met oplopende balken en meet 55 x 55 meter.

 

Bouwactiviteiten hebben ertoe geleid dat dit tot het verleden behoort en dat het toenmalige laagste punt niet meer aan de criteria voldoet.

 

Het ministerie liet in haar persbericht omtrent de bepaling van het Laagste Punt het volgende weten:

 

Onder het laagste punt verstaat Rijkswaterstaat het punt dat de gemiddelde maaiveldhoogte weergeeft van een door mens en dier beloopbaar, nagenoeg horizontaal gebied van ongeveer 1 hectare en dat, gemeten ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil, lager ligt dan enig ander maaiveld in Nederland.

 

In zo'n gebied van 1 hectare kan best nog een klein kuiltje van 1 decimeter zitten, dit telt echter niet mee, vanwege het gemiddelde. Door menselijke (bouw)activiteiten, bodembeweging, verandering van de grondwaterstand en inklinken van de bodem veranderen de maaiveldhoogten in Nederland voortdurend. Het is dus afwachten hoelang het huidige laagste punt van Nederland deze titel mag blijven dragen.

 

De gehanteerde criteria betekenen dat laagste polderpeilen (waterstanden) niet in aanmerking genomen kunnen worden. Ook een punt dat is ontstaan door menselijke activiteiten, die uitsluitend tot doel hebben om een permanent of tijdelijk laagste punt van Nederland te creëren, is uitgesloten.

 

De Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat stelde op 29 juni 1995 vast dat het laagste punt zich sedertdien bevindt nabij de eendenkooi in de Zuidplaspolder bij de Derde Tochtweg in de gemeente Zuidplas. Een meting leverde de aanvankelijke vaststelling van 6,74 meter onder Normaal Amsterdams Peil (NAP). Per officiële NAP publicatie werd per 1 januari 2005 een correctie bekendgemaakt en is het laagste punt circa 2 cm lager komen te liggen. De nieuwe hoogte van het laagste punt in Nederland is dus -6,76 m NAP.

 

Omdat het NAP grofweg overeen komt met de gemiddelde vloed van het water op de Noordzee, zou er op deze plek, zonder de aanwezigheid van duinen, dijken en andere waterkeringen, hier het zeewater vanaf maaiveldniveau zo'n zeven meter hoog staan.

 

Het ontstaan van de deelgemeente Prins Alexander
De gemeenteraad van Rotterdam besloot op 30 mei 1974 een deelgemeente per 1 januari 1975 in te stellen voor de wijken Ommoord, Het Lage Land, Prinsenland, ’s Gravenland en Kralingse Veer. De voorlopige benaming voor deze deelgemeente luidde "Deelgemeente Rotterdam Oost". Deze deelgemeente was de vierde deelgemeente in Rotterdam; de deelgemeenten Charlois, Hoek van Holland en Hoogvliet waren al in 1972 ingesteld.